Hoger onderwijs in Nederland heeft nieuw elan nodig

Goed onderwijs is essentieel voor een goed werkende democratie en economie: dat vinden we allemaal. Nederland heeft fantastische onderwijsvoorzieningen, waarbij het een grote verdienste is dat de toegang tot het onderwijs open staat voor iedereen met de juiste kwalificaties.

We hebben verschillende universiteiten en veel hogescholen. Daar werken mensen met inzet en veel capaciteiten. Toch is het niet allemaal goud wat er blinkt. Van Hoek Trainingen kent de wereld van het hoger onderwijs goed en constateert dat er verbeterpunten zijn. Om te beginnen het hoger onderwijs. Het hoger onderwijs biedt voor studenten en medewerkers vaak eenzelfde ervaring: het is er gezellig en laagdrempelig, maar helaas is het vaak ook een behoorlijke chaos. De chaos is vooral organisatorisch.

Hogescholen zijn hele complexe organisaties en het is niet gemakkelijk een hogeschool goed te organiseren. De problemen beginnen al bij de instroom van eerstejaars studenten. Vaak zijn eerstejaars niet gemotiveerd: ze komen bijvoorbeeld niet eens op college in de eerste weken of ze schaffen geen boeken aan. Ook melden eerstejaars zich vaak laat bij de hogeschool aan, waardoor de school pas op het laatste moment weet hoe veel studenten er zijn. Na het eerste jaar valt gemiddeld de helft van de studenten ook weer af: ieder jaar moet het gaan om duizenden studenten. Dit is een enorm groot probleem, waar nog steeds weinig effectiefs aan gebeurt. Het kost veel geld en ook veel energie; niet alleen van de student, maar ook van de docenten die hun talenten moeten verspillen aan studenten die toch niet gemotiveerd of capabel genoeg zijn. De studenten die het eerste jaar doorkomen, hebben daadwerkelijk weten te overleven binnen de organisatie van de hogeschool. Zij zijn gemotiveerd, maar ook getekend door hun ervaringen in het eerste jaar.

De motivatie en inzet van eerstejaarsstudenten is een grote bottleneck voor Nederlandse hogescholen. Het recente initiatief om studenten te verplichten zich al in mei aan te melden, is een poging iets aan dit probleem te doen. Een ander probleem dat vrijwel bij elke hogeschool speelt, is het maken van een rooster. De roosteraar heeft te maken met heel veel studenten, veel verschillende opleidingen/richtingen, heel veel verschillende vakken, heel veel verschillende werkvormen en ook nog allerlei docenten met eigen wensen. Het is een bijna onmogelijke opgave een rooster te maken dat uitvoerbaar is. Zo heb ik wel eens colleges moeten geven aan eerstejaars op vrijdag van 17 tot 19 uur. Dit is zinloos: je kunt dan geen lesgeven, hoe raar dat misschien ook klinkt, want de studenten verstoren je les. Het gevolg is dat docenten zelf ingrijpen in het rooster, colleges laten vervallen en anders roosteren etc. Zo ontstaat een chaos, want op het laatst weet niemand meer hoe het nu precies zit.

Een derde probleem bij hogescholen is het werken met procedures. Het blijkt vaak erg lastig een procedure te bedenken die praktisch en duurzaam is. Zo laten veel hogescholen docenten zelf de cijfers invullen in registratiesystemen. Maar docenten maken hier vaak fouten mee, wat tot veel problemen leidt. Een oplossing kan zijn de cijferadministratie weer te centraliseren: dat is vaak effectiever en goedkoper. Maar veel hogescholen kiezen er juist voor ingewikkelde procedures te bedenken voor de registratie en correctie van cijfers. Als gevolg hiervan kost het een docent soms meerdere maanden om een cijfer voor een student geregistreerd te krijgen. Dit drijft studenten en medewerkers tot wanhoop.

Een ander voorbeeld zijn administratieve procedures voor freelancedocenten. Hogescholen hebben de grootste moeite de administratie uit te voeren zoals de wet vereist en veel hogescholen hadden de boel niet op orde, zoals blijkt uit de torenhoge boetes die de Belastingdienst in 2014 heeft uitgedeeld aan onder meer de Hogeschool Utrecht en Saxion Hogeschool. Als freelancedocent moet ik regelmatig vereiste documenten soms wel vier keer opsturen; een e-mailaccount is vereist om les te kunnen geven (anders kun je niet op de websites van de school), maar dat e-mail account krijg je pas als de documenten zijn verwerkt. Zo heb ik een keer een semester lang lesgegeven met het e-mailaccount van een collega, omdat de hogeschool het niet voor elkaar kreeg mijn documenten goed te verwerken. Tot slot een laatste probleem: de medewerkers. Bij hogescholen lijkt het erop dat de betrokken medewerkers niet goed hun werk (kunnen) doen.

De managers aan de top (directeuren, hoofden et cetera) regelen niet dat het onderwijs kan worden gegeven, maar hebben de handen vol aan allerlei beleidskwesties. Zij staan ver weg van het onderwijs en niet altijd hebben zij affiniteit met het onderwijs. Bij sommige hogescholen wordt gesproken van percentages van 80% voor overheadkosten zoals die managers en 20% voor het daadwerkelijke onderwijs. Dit vind ik schokkende cijfers. Ook de middenmanagers, de teamleiders, regelen vaak niet dat het onderwijs kan worden gegeven, want zij zijn per definitie overbelast. De taak van teamleiders op hogescholen is zeer ondankbaar en ik ben er niet jaloers op. Ik herinner me een teamleider die op maandagochtend na het weekend 240 e-mails in de box had zitten, met allerlei grote en minder grote problemen. De docenten ten slotte proberen goed onderwijs te geven, maar zij worden beperkt door de vele drempels die de organisatie voor hen opwerpt, zoals het rooster en de ongemotiveerde studenten.

Ook zijn de docenten niet altijd geschikt voor hun taak. Zo hoort een hogeschool over business te gaan, maar de meeste hogeschooldocenten hebben geen enkele ervaring met business en zij hebben ook geen businessprofiel. Verder horen hogeschooldocenten passend te zijn opgeleid (masterniveau) en uitstekend te kunnen lesgeven. Niet altijd voldoet elke docent aan deze voorwaarden. Het leidt tot veel frustraties en studenten moeten zoeken naar een docent die hen biedt wat zij nodig hebben, zoals de onderstaande e-mail van een eerstejaarsstudent getuigt: ‘I’d like to thank you for your classes and guidance this year. To be honest with you; I struggled a lot with the overall lack of expertise and discipline shown in the organization and execution of the study programme (hence my decision to opt for university). Despite this, I found you to be one of the very few teachers who seemed to posess that combination of knowledge, discipline and professionalism to inspire and motivate me to maximize my efforts’. Is het aan universiteiten dan zo veel beter? De student uit het citaat hierboven heeft besloten voor de universiteit te kiezen in de hoop daar een betere onderwijsomgeving aan te treffen.

Het onderwijs aan Nederlandse universiteiten is gelukkig in elk geval geen chaos. Er is gewoonlijk een helder programma, het rooster is duidelijk en de docent komt opdagen. Maar dat is het dan ook wel zo’n beetje. Het beleid aan Nederlandse universiteiten als het gaat om onderwijs is teleurstellend basaal: er gebeurt zo goed als niets, geen innovaties, geen verbeteringen, geen focus op docentkwaliteit. Het lijkt wel of alle fut eruit is.

De oprichting van onderwijsinsitituten aan universiteiten in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft, net als de komst van de bachelor-masterstructuur, wel een kwaliteitsimpuls gegeven. Maar al snel zijn de onderwijsinstituten weer ingekapseld in de traditionele structuren van vakgroepen en afdelingen, waar de hoogleraar of directeur de baas is. Universiteiten zijn nog altijd gefixeerd op onderzoek. Onderzoek is boeiend, onderzoek geeft status, en onderwijs is niet interessant. In december 2013 ontving ik bijvoorbeeld een eindejaarspraatje van een decaan van een grote faculteit: in hele eindjaarspraatje kwam het woord ‘onderwijs’ niet eens voor.  Een onderwijsdirecteur zei eens tegen mij: ‘Als de NVAO niet piept, dan doe ik verder helemaal niets’. Aan Nederlandse universiteiten bestaat een schrijnend gebrek aan belangstelling voor goed onderwijs. De betrokkenen hebben geen affiniteit met onderwijs en ze hebben er meestal ook helemaal geen verstand van. Op veel plekken zwaaien mensen de scepter die misschien wetenschappelijk hun sporen hebben verdiend, maar die geen kaas van onderwijs hebben gegeten. Even een kleine test tussendoor: Wat weet jij van hoger onderwijs?

  • 1 Voor hoe veel uren studie staat een (1) studiepunt?
  • 2 Uit hoeveel ec bestaat een jaar studie?
  • 3 Wat is een deficiëntie?
  • 4 Wanneer is de toetsing van een vak adequaat?
  • 5 Wat betekent de term ‘rendement’?

Wie onderwijs aanstuurt, moet deze vragen zonder aarzelen kunnen beantwoorden. (De antwoorden staan onderaan deze blog.) Het is een hardnekkig beeld bij Nederlandse universiteiten dat onderwijs geen aansturing behoeft. Het hoofd onderwijs doet het onderwijs er vaak een beetje bij. Er zijn universiteiten die niet eens een hoofd onderwijs hebben, maar aansturing in feite alleen op operationeel niveau laten plaatsvinden: het wordt praktisch geregeld, maar verder weinig of niets. Kortom: hogescholen en universiteiten moeten het onderwijs beter aansturen, zodat de kwaliteit omhoog gaat. Hogescholen zouden vergaand gereorganiseerd moeten worden en bij de universiteiten wordt het dringend tijd voor echte aandacht voor onderwijs. Verantwoordelijk zijn bestuurders, directeuren en managers: xij moeten de mouwen opstropen en gaan doen wat nodig is in het belang van studenten, medewerkers, en uiteindelijk in het belang van iedereen. Het hoger onderwijs in Nederland heeft nieuw elan nodig!

Antwoorden op de test

  • 1 Een studiepunt staat voor 28 uur werk van de student (dit is inclusief voorbereiden, lezen, college volgen). Gewoonlijk zijn universitaire vakken 5 of 10 studiepunten, wat betekent dat zij 5 x 28 uur = 140 uur werk of 10 x 28 uur = 280 uur werk vergen van de student. Als voor een vak van vijf studiepunten gemiddeld minder dan 140 uur werk nodig is om het vak te halen, dan betekent dat het vak niet zwaar genoeg is. Omgekeerd: als voor een vak van vijf studiepunten meer dan 140 uur nodig is, dan is het vak in verhouding te zwaar opgezet.

 

  • 2 Een ec staat voor ‘European credit’: het is de officiële naam voor een studiepunt. In voltijd moet de student in een studiejaar 60 ec/studiepunten behalen (dus 60 x 28 uur = totaal 1680 uur). In deeltijd is dat 30 studiepunten (dus 840 uur). Meestal is het studiejaar opgedeeld in semesters van elk 30 ec bij voltijd en twee blokken van elk 15 ec in een semester. Semester 1 is de periode tot Kerst; blok 1 is in de eerste negen weken en blok 2 is de tweede negen weken van due periode. Semester 2 loopt van januari tot de zomer: blok 3 loopt van januari tot maart/april en blok 4 van april/mei tot juli.

 

  • 3 Een deficiëntie is een tekortkoming in het studieprogramma dat de student heeft gevolgd. Meestal speelt dit bij hbo’ers die aan willen doorstuderen aan een universiteit: hun hbo-studieprogramma bevat niet altijd de juiste vakken op het juiste niveau. Zo is voor een universitaire studie economie het vak statistiek vereist op een bepaalde niveau; vaak hebben hbo’ers daar een deficiëntie. Dit betekent dat de deficiëntie moet worden weggewerkt (extra vak volgen) voordat de hbo’er aan de universitaire studie kan beginnen. Het wegwerken van de deficiënties gebeurt vaak in een schakeljaar of deficiëntieprogramma. Belangrijk daarbij is de zogenoemde harde knip: een student kan geen mastervakken behalen als hij nog bachelorvakken heeft openstaan en de afgestudeerde hbo’er mag geen mastervakken behalen voordat alle deficiënties zijn weggewerkt.

 

  • 4 Toetsing is adequaat als ermee wordt vastgesteld of de student het leerdoel, ook wel ‘Leeruitkomst’, van het vak heeft behaald. Een toetsing moet dan ook alle leerdoelen betreffen. Om adequaat te kunnen toetsen, is een vakopzet vanuit leerdoelen dan ook vereist. Een goede toetsing is momenteel aandachtspunt van veel examencommissies in het Nederlands hoger onderwijs, op aangeven van de NVAO.

 

  • 5 ‘Rendement’ is het aantal studenten dat bijvoorbeeld het eerste jaar in een jaar haalt (gewoonlijk is dat maar 15% overigens) of het aantal studenten dat binnen vier jaar de studie afrondt. Rendementen gaan dus over de aantallen studenten die op tijd bepaalde studieonderdelen afronden. Rendementen geven richting aan de sturing van onderwijs, omdat ze voor een deel de benchmark vormen: zo wordt als indicatie van een goed tentamen aangehouden dat het rendement ongeveer 75% procent moet zijn. Als dus maar 20% van de studenten slaagt of juist wel 100%, dan kan dit een teken zijn dat het tentamen niet goed is. N.B. De NVAO spelt ‘ec’ met hoofdletters. De regel is dat ingeburgerde afkortingen met kleine letters worden gespeld. ‘Ec’ is een ingeburgerde afkorting en ik spel het daarom met kleine letters.